
Kervijn beschouwt het als een krijgsdienstbaarheid, welker
oorsprong hij in de Capitulariën terugvindt, en leidt het af van : bal
= huis, woonplaats, omkring, vesting, en ward : guard, bewaker.
Deze uitlegging zou gegrond kunnen schijnen, indien 't bewezen ware dat Balgerhoeke
(aldus komt de naam in een oorkonde van 1227 voor) ooit een sterkte op de Lieve
geweest is.
Gheldolf, echter, heeft onzes achtens, op een voldoende wijze aangetoond,
en Kanunnik de Smet stemt hierin overeen met zijn gedacht, dat de zin van 't woord
balfart te nemen is als een Oud-Romeinsche belasting, ten voordeele van den heer
geheven, en in de wetgeving der Franken en van het Graafschap Vlaanderen overgegaan.
Raveschoot, oudtijds een oppidum of versterkte plaats, op slechts weinige
minuten van Balgerhoeke gelegen, lag, vóór de Lieve hier in 1251
gedolven werd, aan een rivier, welker wateren zich te Aardenburg in de zee ontlastten.
't Is datzelfde slot Raveschoot, dat in 1127 door de partijgangers van Karel den
Goede belegerd, en den 8en Maart in hetzelfde jaar afgebrand en gansch
vernield werd. Hare ligging, zegt Galbertus, maakte Raveschoot bijna ontoegankelijk en onoverwinnelijk : "Quod quidem et ex loci difficultate et ex ipsa munitione
invincibile et inaccessibile !"
|