Evenals Maldegem en omliggende gemeenten, ligt Adegem in een
dorre, over 't algemeen weinig vruchtbare streek.
De bovengrond, bestaande uit losse zandlagen,
bedekt een doordringbaren, vruchtbaren kleigrond.
Het Westelijk deel van Adegem bestaat uit een vruchtbaren
kleigrond; deze is ontstaan door de verweering en het meevoeren van de zandlagen;
door de regens werden deze laatste van de hoogte naar de diepte meegevoerd; deze
kleistrook bestaat uit eenige heuvels, waarvan het hoogste punt een hoogte van
28 meter bereikt.
Hier en daar ziet men nog eenige heuvels, welke tot den duinketen
die zich vroeger tot hier uitstrekte, behoord hebben. Zijn groeilaag heeft slechts
een dikte van 10 à 25 cm., welke uit zich zelf slechts brem en ander heigewas
voortbrengt.
Het Oostelijk deel, welk een grooter oppervlakte beslaat
dan het Westelijk, bestaat uit een zandstrook welke op de eene plaats min, op
de andere meer vruchtbaar is.
Evolutie in den landbouw.
Ten jare 1848, tijdstip waarop gedacht werd, ten gevolge van de handelscrisis
en de duurte der levensmiddelen, de heiden en de ledig liggende landen aan den
landbouw over te leveren, had Adegem nog een onbebouwde uitgestrektheid van omtrent
116 hectaren.
De oudstgekende pachthoeve draagt den naam van: "'t Goed
te Plasschendale". Zij bestond reeds in 1340 en was in 1765 't eigendom
van Bernard - Antoon van Dendere.
"Het goed ter Heide" in de Vulderstraat, evenals
het voorgaande thans in bezit van Mevrouw de Loose, te Gent, behoorde in 1643
aan Hannekin van der Haghe, zoon van Lieven, en was dan 33 bunder groot. Zekere
Frans Piers was er eigenaar van in 1765. In 1788 bedroeg de pachtsom 750 gulden
's jaars.
"Het hof te Praat", voormaals de zetel eener
heerlijkheid, oudtijds ongetwijfeld de familie van Praat toebehoord hebbende,
had een uitgestrektheid van ongeveer 29 bunder en behoort tegenwoordig met het
ermede gaande goed Malcote, aan de Wwe. en kinderen Willems.
Voorts heeft men nog in deze gemeente het "Goed te Lichtervelde",
in de vorige eeuw in 't bezit van de familie De Beer en het "Goed te Altona"
(in 1765 Haltenay) ook weleens het "Sint Jansgoed" genaamd, waarvan
de burgerlijke godshuizen van Brugge eigenaars zijn.